Vertaald door: Peter Bergsma
Paperback | 256 blz. | € 12,50
ISBN 978 90 5936 439 4

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via
onze webshop

Ook verkrijgbaar als eboek
ISBN 978 90 5936 447 9 | € 9,95
- EBOEK KOPEN

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

Wereld en wandel van Michael K (1984 - midprice editie 2013)

Het eerste dat de vroedvrouw aan Michael K opviel toen ze hem van uit zijn moeder de wereld op hielp, was dat hij een hazenlip had. De lip was gekruld als een slakkenpootje, het linkerneusgat stond wijd open. Terwijl ze het kind een moment aan de blik van de moeder onttrok, wrikte ze het op een bloemknopje gelijkende mondje open en constateerde dankbaar dat het gehemelte ongeschonden was.

Tegen de moeder zei ze: ‘U moet er juist blij mee zijn, ze brengen het huishouden geluk aan.’ Maar Anna K had meteen al een hekel aan het mondje dat niet wilde dichtgaan en aan het levende, roze vlees dat het haar onthulde. Ze huiverde bij de gedachte aan wat er al die maanden binnen in haar was gegroeid. Het kind kon niet aan de borst zuigen en huilde van de honger. Ze probeerde een fles; toen het ook niet aan de fles kon zuigen, voerde ze het met een theelepeltje en raakte ongeduldig als het hoestte en knoeide en huilde. ‘Het gaat wel dicht als hij ouder wordt,’ beloofde de vroedvrouw. Maar de lip ging niet dicht, althans niet dicht genoeg, en met de neus kwam het ook nooit goed.

Ze nam het kind mee naar haar werk en bleef het meenemen toen het geen baby meer was. Omdat hun glimlachjes en gefluister haar kwetsten, hield ze het uit de buurt bij andere kinderen. Jaar in jaar uit zat Michael K op een deken te kijken hoe zijn moeder de vloeren van andere mensen wreef en leerde zich koest te houden.

Vanwege zijn misvorming en zijn trage verstand werd Michael na een korte proefperiode van school genomen en toevertrouwd aan de zorgen van Huis Norenius in Faure, waar hij de rest van zijn kinderjaren op staatskosten sleet in het gezelschap van andere, elk op hun eigen wijze gehandicapte en misdeelde kinderen en hem de eerste beginselen van het lezen, schrijven, rekenen, vegen, schrobben, bed opmaken, afwassen, mand vlechten, hout bewerken en spitten werden bijgebracht. Op vijftienjarige leeftijd verruilde hij Huis Norenius voor de gemeentelijke plantsoenendienst van Kaapstad, waar hij werd aangesteld als hovenier klasse 3 (b). Drie jaar later verliet hij de plantsoenendienst en nam, na een periode van werkloosheid waarin hij op zijn bed naar zijn handen lag te staren, een baantje aan als avondbeheerder van de openbare toiletten op de Groenmarktplaats. Toen hij op een vrijdag laat van zijn werk naar huis terugkeerde, werd hij in een voetgangerstunneltje overvallen door twee mannen die hem in elkaar sloegen en beroofden van zijn horloge, zijn geld en zijn schoenen, waarna ze hem verbijsterd op de grond achterlieten met een snee in zijn arm, een ontwrichte duim en twee gebroken ribben. Na dit incident gaf hij zijn avondwerk op en ging terug naar de plantsoenendienst, waar hij langzaam opklom tot hovenier klasse 1.

Vanwege zijn gezicht had K geen vriendinnen. Hij was maar het liefst op zijn eentje. Zijn beide baantjes hadden hem een zekere mate van afzondering verschaft, hoewel hij het in de toiletten benauwd had gekregen van het felle neonlicht dat op de witte tegels weerkaatste en een schaduwloze ruimte schiep. Zijn favoriete parken hadden hoge dennenbomen en schemerige, met blauwe tuberozen omzoomde wandelpaden. Op sommige zaterdagen hoorde hij het kanonschot van twaalf uur niet en werkte hij de hele middag alleen door. Op zondagochtend sliep hij uit; ’s zondagsmiddags bezocht hij zijn moeder.

Tegen het eind van een morgen in juni, in zijn eenendertigste levensjaar, ontving Michael K een boodschap terwijl hij bladeren aan het harken was in het De Waal Park. De boodschap, die hem via een tussenpersoon bereikte, was afkomstig van zijn moeder: ze was ontslagen uit het ziekenhuis en wilde dat hij haar kwam afhalen. K borg zijn gereedschap op en reed met de bus naar het Somerset Hospitaal, waar hij zijn moeder op een bankje aantrof op een zonnig plekje voor de ingang. Ze was geheel aangekleed, alleen haar daagse schoenen stonden naast haar. Toen ze haar zoon zag begon ze te huilen, een hand voor haar ogen houdend opdat andere patiënten en bezoekers het niet zouden zien.

Maandenlang had Anna K last gehad van monstrueus gezwollen armen en benen; later was ook haar buik gaan opzwellen. Toen ze ten slotte in het ziekenhuis werd opgenomen, kon ze niet meer lopen en nauwelijks nog ademhalen. Ze had vijf dagen op een gang gelegen, omringd door tientallen slachtoffers van steek-, schiet- en vechtpartijen die haar wakker hielden met hun gekerm, en genegeerd door verpleegsters die geen tijd hadden om een oude vrouw op te vrolijken op een moment dat er overal jongemannen op de meest spectaculaire wijzen lagen dood te gaan. Nadat ze na haar binnenkomst met zuurstof weer tot bewustzijn was gebracht, kreeg ze injecties en pillen om de zwellingen te doen slinken. Maar als ze een ondersteek nodig had, was er zelden iemand die er een bracht.

Ze had geen kamerjas. Eenmaal, toen ze op de tast langs de muur naar het toilet schuifelde, was ze tegengehouden door een oude man in een grijze pyjama die smerige taal uitsloeg en zijn geslacht liet zien. Haar lichaamsbehoeften werden een bron van kwelling. Als de verpleegsters naar de pillen informeerden, zei ze dat ze die had ingenomen, maar dikwijls jokte ze. Daarna begonnen, hoewel haar benauwdheid afnam, haar benen zo vreselijk te jeuken dat ze op haar handen moest gaan liggen om de krablust te onderdrukken. Op de derde dag smeekte ze of ze weer naar huis mocht, maar ze richtte haar smeekbede kennelijk niet tot de aangewezen persoon. De tranen die ze op de zesde dag vergoot waren dus voornamelijk tranen van opluchting omdat ze aan deze beproeving ontsnapte.

Bij de receptie vroeg Michael K een rolstoel te leen, wat hem geweigerd werd. Met in zijn ene hand haar handtas en schoenen, hielp hij zijn moeder de vijftig passen naar de bushalte af te leggen. Er stond een lange rij. De dienstregeling die op de paal was geplakt, beloofde om het kwartier een bus. Ze wachtten een uur terwijl de schaduwen lengden en de wind kil werd. Niet in staat te blijven staan, zat Anna K als een bedelvrouw met haar benen voor zich uit tegen een muur terwijl Michael hun plaatsje in de rij bezet hield. Toen de bus kwam waren er geen zitplaatsen. Michael hield zich vast aan een stang en omarmde zijn moeder om te voorkomen dat ze opzij zou vallen. Pas om vijf uur arriveerden ze bij haar kamertje op Seepunt.

Acht jaar lang had Anna K als dienstbode gewerkt bij een gepensioneerde lingeriefabrikant en zijn vrouw, die een vijfkamerflat op Seepunt bewoonden met uitzicht op de Atlantische Oceaan. Overeenkomstig haar contract kwam ze om negen uur ’s ochtends en bleef tot acht uur ’s avonds, met een middagpauze van drie uur. Ze werkte beurtelings vijf en zes dagen per week. Ze had twee weken betaalde vakantie per jaar en een eigen kamer in het flatgebouw. Het loon was redelijk, haar werkgevers waren schappelijke mensen, baantjes waren moeilijk te krijgen, en Anna K was al met al niet ontevreden. Een jaar geleden was ze echter last gaan krijgen van duizelingen en benauwdheid op de borst als ze zich bukte.

Vervolgens was de waterzucht begonnen. De Buhrmanns hielden haar aan als kokkin, verminderden haar loon met een derde en namen een jongere vrouw in dienst voor het huishouden. Haar kamer, waarover de Buhrmanns de beschikking hadden, mocht ze houden. De waterzucht werd erger. Ze had al weken in bed gelegen, niet meer in staat te werken, eer ze ten slotte in het ziekenhuis werd opgenomen. Ze leefde in voortdurende vrees dat aan de barmhartigheid van de Buhrmanns een einde zou komen.

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com