Vertaald door: Peter Bergsma
Gebonden | 208 blz. | € 19,95
ISBN 978 90 5936 037 2

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via
onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

Schemerlanden (1986)

Mijn naam is Eugene Dawn.
Dat kan ik ook niet helpen. Daar gaan we.

1

Coetzee heeft me verzocht mijn essay te herschrijven. Het zit hem niet lekker: hij wil dat het vleiend is, anders kan het wat hem betreft de prullenbak in. Mij wil hij ook kwijt, dat kan ik wel zien. Ik wapen me tegen deze machtige, geniale, doodgewone man, wie het zo volkomen aan visie ontbreekt. Ik vrees hem en veracht zijn blindheid. Ik had beter verdiend. Ik zit onder de plak bij een manager, een type voor wie ik in een eerste opwelling door het stof zou willen kruipen. Ik heb mijn meerderen altijd gehoorzaamd, en met plezier. Ik had me nooit aan het Vietnamproject gewaagd als ik geweten had dat het me in conflict zou brengen met een meerdere. Van conflicten komt narigheid en narigheid vergiftigt het bestaan. Ik kan niet tegen narigheid, ik heb rust en liefde en orde nodig om te kunnen werken. Ik moet vertroeteld worden. Ik ben een ei dat in het allerdonzigste nest moet liggen onder de allerverlokkelijkste broedster voordat mijn kale, weinig goeds belovende schaal breekt en mijn schuwe geheime leven te voorschijn komt. Dit mag mij niet ten volle worden aangerekend. Ik peins, ik ben een denker, een creatieve geest, niet geheel zonder waarde voor de wereld. Ik had meer begrip verwacht van Coetzee, die toch gewend zou moeten zijn met creatieve geesten om te gaan. Na ooit zelf creatief te zijn geweest, is hij nu een mislukte creatieve geest die schaamteloos teert op andere creatieve geesten. Hij heeft een reputatie gegrondvest op het werk van anderen. Hier heeft hij de leiding gekregen over het Nieuw Levenproject, zonder dat hij iets van Vietnam of het leven af weet. Ik verdien beter.

Ik zie op tegen de confrontatie van morgen. Ik ben slecht in confrontaties. Mijn eerste opwelling is om toe te geven, om mijn tegenstander te omhelzen en me volledig gewonnen te geven opdat hij maar van me houdt. Gelukkig veracht ik mijn eerste opwellingen. Het huwelijksleven heeft me geleerd dat alle concessies vergissingen zijn. Geloof in jezelf en je opponent zal je respecteren. Laat de mast niet los, als dat een juiste beeldspraak is. Mensen die in zichzelf geloven, verdienen eerder liefde dan mensen die aan zichzelf twijfelen. Mensen die aan zichzelf twijfelen hebben geen kern. Ik doe mijn best om mijzelf van een kern te voorzien, ook al is het dan laat in mijn leven.

Ik moet me vermannen. Ik geloof in mijn werk. Ik ben mijn werk. Het Vietnamproject vormt nu al een jaar lang het middelpunt van mijn bestaan. Ik ben niet van plan me voortijdig de mond te laten snoeren. Ik zal mijn zegje doen. Ik moet eindelijk eens bereid zijn voor mezelf op te komen.
 
Ik mag Coetzee niet onderschatten.

Hij riep me vanochtend zijn kantoor binnen en liet me plaatsnemen. Hij is een robuuste man, het type dat elke dag biefstuk eet. Glimlachend ijsbeerde hij door het vertrek en bedacht een openingszin, terwijl ik me naar rechts en naar links draaide in een poging mijn gezicht op hem te blijven richten. Ik bedankte voor de koffie die hij me aanbood. Hij is het soort dat koffie drinkt, ik het soort dat met cafeïne in zijn aderen begint te trillen en allerlei euforische toezeggingen doet.

Zeg niets waar je later spijt van kunt krijgen.

Ik had mij speciaal voor het gesprek een rechte rug en een vrijmoedige blik aangemeten. Coetzee weet misschien best dat ik krom ben en niemand recht aankijk - ik kan het ook niet helpen dat ik zulke ogen heb - maar ik wilde hem te kennen geven dat ik me vandaag formeel wapende met een kern van vrijmoedigheid en waarachtigheid. (Sinds de puberteitscrisis is geen enkele houding mij makkelijk gevallen. Maar alle gedrag kan worden aangeleerd. Ik heb goede hoop op een aangepaste toekomst.)

Coetzee nam het woord. Door middel van een reeks complimenten, waarvan de dubbelzinnigheid nooit minder dan onverbloemd was, deed hij de vrucht van een jaar werk verrotten. Ik zal niet doen alsof ik zijn woorden niet stuk voor stuk kan ontleden.

'Ik had nooit gedacht dat deze afdeling nog eens zulk avant-gardistisch werk zou leveren,' zei hij. 'Ik moet je complimenteren. Ik heb je eerste hoofdstukken met plezier gelezen. Je schrijft goed. Het zal een genoegen zijn te worden betrokken bij zo'n staaltje van afgerond onderzoek.

Wat natuurlijk niet wil zeggen,' vervolgde hij, 'dat iedereen het noodzakelijk eens is met wat je zegt. Je werk heeft betrekking op een geheel nieuw en controversieel gebied, dus enig tegengas mag je wel verwachten.

Maar ik heb je niet gevraagd langs te komen om over de inhoud te praten van je rapport, waarin je - laat me het nog eens herhalen - een paar behartenswaardige dingen zegt waarover onze contractanten serieus zullen moeten nadenken.

Liever, daarentegen, doe ik enkele suggesties voor wat betreft de presentatie. Ik doe deze suggesties alleen maar omdat ik enige ervaring heb met het schrijven en begeleiden van rapporten over Defensieprojecten. Terwijl het voor jou - als ik me vergis moet je me maar corrigeren - de eerste keer is.'

Hij gaat me laten vallen. Hij vreest visie, koestert geen sympathie voor hartstocht of wanhoop. Macht wordt alleen maar aangesproken door macht. Zinnen scharen zich in een rij achter zijn onberispelijke rode lippen. Ik zal mijn congé krijgen, geheel volgens de regels de laan uit worden gestuurd. Een bepaalde configuratie van zijn mond en neus, zo subtiel dat ze alleen voor mij waarneembaar is, vertelt me dat de hectische giften die door mijn bloed jachten en uitwaaieren via mijn zweet zijn verfijnde zintuigen slechts afkeer inboezemen. Ik werp woedende blikken. Ik probeer met mijn bliksemschicht een man te vellen die niet in magie gelooft. Als ik faal, zal ik mij tevreden stellen met een thuis te midden van de kalme specialisten in beheersing en zelfbeheersing. Mijn ogen seinen een serie smeekbeden en dreigementen die zo snel is dat ze alleen voor mijzelf waarneembaar is, en voor hem.

'Zoals je bekend zal zijn uit je contacten met hen, vormen militairen - om het maar ronduit te zeggen - een traag denkend, achterdochtig en conservatief volkje. Het is nooit gemakkelijk hen van iets nieuws te overtuigen. Toch zijn zij degenen die je uiteindelijk zult moeten overtuigen van de juistheid van je aanbevelingen. Neem maar van mij aan dat je daarin niet zult slagen als datgene wat je zegt ze boven hun pet gaat. Evenmin zul je slagen als je hen benadert met de absoluutheid, de intellectuele heftigheid die je gewend bent van onze interne discussies hier op het Kennedy Institute. Wij kennen de spelregels van het intellectuele steekspel, zij niet; zij ervaren een aanval als een aanval, waarschijnlijk als een aanval op hun klasse als geheel.

Daarom zou ik in de allereerste plaats willen, voordat we over iets anders praten, dat je wat gaat sleutelen aan de toon van je betoog. Ik wil dat je je voorstellen zodanig herschrijft dat mensen uit het leger ze kunnen overnemen zonder hun zelfrespect te verliezen. Onthoud één ding goed: als je zegt dat ze hun vak niet verstaan (wat waarschijnlijk waar is), dat ze niet begrijpen waar ze mee bezig zijn (wat zeker waar is), dan hebben ze geen andere keus dan je het raam uit te smijten. Terwijl als je voortdurend benadrukt, niet alleen expliciet maar ook door middel van stilistische kniebuigingen, dat je alleen maar een ambtenaartje bent met een beperkt maar belangrijk specialisme, een kamergeleerde haast die niet zoals zij militairen doorkneed is in de krijgskunde; maar dat je niettemin, binnen de enge grenzen van je specialisme, enkele suggesties kunt aandragen die wellicht van strategisch nut zullen zijn - dat je dan zult merken dat je voorstellen een willig oor vinden.

Als je Kidmans boekje over Midden-Amerika nooit hebt ingekeken, doe dat dan eens. Een fraaier staaltje van zichzelf wegcijferende overredingskracht is mij niet bekend.

Ik zou je nog iets anders in overweging willen geven. Zoals je ongetwijfeld weet, hanteer je bij je analyse van de propagandadiensten termen die de meeste mensen onbekend zijn. Dit geldt niet alleen voor jouw werk, maar voor het werk van iedereen in de sectie mythografie. Ik persoonlijk vind mythografie heel boeiend, en ik denk dat het vak een gouden toekomst tegemoet gaat. Maar vergis je je misschien niet in je lezers? Ik krijg het eigenaardige gevoel, als ik je essay doorlees, dat het voor mijn ogen geschreven is. Welnu, je zult merken dat je echte lezers een heel wat onbeschaafder volkje zijn. Sta me daarom toe een soort inleiding voor te stellen waarin je in eenlettergrepige woorden uitlegt welke procedure je volgt - hoe mythen werken in een menselijke samenleving, hoe tekenen worden uitgewisseld, enzovoort; met een heleboel voorbeelden en in godsnaam geen voetnoten.'

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com