Vertaald en herzien door: Peter Bergsma
Paperback | 704 blz. | € 25,00
ISBN 978 90 5936 347 2

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via
onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

Scènes uit de provincie (2012)

Ze wonen in een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad Worcester, tussen de spoorlijn en het Nasionale Pad. De straten van de wijk hebben bomennamen, maar nog geen bomen. Hun adres is Populierlaan 12. Alle huizen in de wijk zijn nieuw en identiek. Ze staan op grote percelen rode klei waar niets wil groeien, gescheiden door hekken van ijzerdraad. In elke achtertuin bevindt zich een vierkant gebouwtje, bestaande uit een kamer en een wc. Hoewel ze geen bediende hebben, noemen ze deze 'de bediendekamer' en de 'bediende-wc'. Ze gebruiken de bediendekamer om dingen in op te bergen: kranten, lege flessen, een kapotte stoel, een oude kokosmatras.

Achter in de tuin bouwen ze een kippenren waarin ze drie kippen onderbrengen, die geacht worden eieren voor hen te leggen. Maar de kippen willen niet gedijen. Het regenwater, dat niet in de klei kan wegsijpelen, staat in plassen in de tuin.

De kippenren wordt een kwalijk riekend moeras. De poten van de kippen beginnen grove zwellingen te vertonen, als olifantshuid. Ziekelijk en humeurig raken ze van de leg. Zijn moeder raadpleegt haar zuster in Stellenbosch, die zegt dat ze pas weer zullen gaan leggen als de hoornachtige schubben onder hun tong zijn weggesneden. Zodoende neemt zijn moeder de kippen een voor een tussen haar knieën, drukt net zolang op hun kaken tot ze hun snavel opendoen en pulkt met de punt van een aardappelschilmesje in hun tong. De kippen schreeuwen en spartelen, met uitpuilende ogen. Hij huivert en wendt zich af. Hij moet denken aan hoe zijn moeder een stooflap op het aanrecht kletst en in blokjes snijdt; hij moet denken aan haar bloederige vingers.

De dichtstbijzijnde winkels zijn meer dan een kilometer verderop langs een naargeestige weg met eucalyptusbomen. Gevangen als ze zit in deze doos van een huis in de nieuwbouwwijk, heeft zijn moeder de hele dag niets anders te doen dan vegen en schoonmaken. Elke keer als het waait, wervelt er fijn okerkleurig kleistof onder de deuren naar binnen, dringt zich door de kieren in de raamkozijnen, onder de dakranden door, door de naden in het plafond. Als het een hele dag heeft gestormd, ligt het stof centimeters hoog tegen de voormuur.

Ze kopen een stofzuiger. Elke morgen sleept zijn moeder de stofzuiger van kamer naar kamer en zuigt het stof in de brullende buik waarop een lachende, rode kobold over een horde lijkt te springen. Een kobold: waarom?

Hij speelt met de stofzuiger, verscheurt papier en kijkt hoe de snippers de slang invliegen als bladeren in de wind. Hij houdt de slang boven een stoet mieren en zuigt ze op, hun dood tegemoet.

Er zijn mieren in Worcester, vliegen, vlooienplagen. Worcester ligt maar honderdveertig kilometer van Kaapstad, maar hier is alles nog erger. Hij heeft een kring van vlooienbeten boven zijn sokken, en roofjes van het krabben. Soms kan hij 's nachts niet slapen van de jeuk. Hij snapt niet waarom ze uit Kaapstad weg moesten.

Zijn moeder is ook onrustig. Ik wou dat ik een paard had, zegt ze. Dan kon ik tenminste gaan rijden in het veld. Een paard! zegt zijn vader: Wil je soms lady Godiva worden?

Ze koopt geen paard. Maar in plaats daarvan koopt ze, zonder waarschuwing, een fiets, een damesmodel, tweedehands, zwartgelakt. Hij is zo reusachtig en zwaar dat als hij ermee experimenteert in de tuin, hij de trappers niet rond krijgt.

Ze kan niet fietsen; misschien kan ze ook wel niet paardrijden. Toen ze de fiets kocht, dacht ze dat fietsen een koud kunstje zou zijn. Nu kan ze niemand vinden om het haar te leren.

Zijn vader steekt zijn vrolijkheid niet onder stoelen of banken. Vrouwen fietsen niet, zegt hij. Zijn moeder berust niet. Ik wil niet vastzitten in dit huis, zegt ze. Ik wil vrij zijn.

Eerst vond hij het schitterend dat zijn moeder haar eigen fiets had. Hij had zich zelfs al voorgesteld hoe ze met z'n drieën over de Populierlaan zouden rijden, zij en hij en zijn broertje. Maar nu hij naar de grappen van zijn vader luistert, die door zijn moeder slechts met koppig stilzwijgen worden beantwoord, begint hij te weifelen. Vrouwen fietsen niet: stel dat zijn vader gelijk heeft? Als zijn moeder niemand kan vinden die het haar wil leren, als geen enkele andere huisvrouw in Reunion Park een fiets heeft, dan worden vrouwen misschien inderdaad niet geacht te fietsen.

Alleen in de achtertuin probeert zijn moeder het zichzelf te leren. Haar benen naar weerskanten uitstrekkend, rijdt ze het hellinkje naar de kippenren af. De fiets kiepert om en komt tot stilstand. Omdat hij geen stang heeft, valt ze niet mee maar wankelt alleen op een rare manier, terwijl ze de handvatten blijft vastklemmen.

In zijn hart keert hij zich tegen haar. Die avond doet hij mee met het gespot van zijn vader. Hij beseft heel goed hoe hij haar daarmee verraadt. Nu is zijn moeder helemaal alleen.

Desondanks leert ze fietsen, al gaat het dan op een wiebelige, onzekere manier en krijgt ze de zwarte trapassen maar met moeite rond.

's Morgens, wanneer hij op school is, onderneemt ze haar expedities naar Worcester. Maar één keer ziet hij haar heel eventjes op haar fiets. Ze draagt een witte blouse en een donkere rok. Ze komt de Populierlaan af in de richting van het huis. Haar haar wappert in de wind. Ze ziet er jong uit, als een meisje, jong en fris en raadselachtig.

Elke keer als zijn vader de zware zwarte fiets tegen de muur ziet staan, maakt hij er grappen over. In die grappen onderbreken de inwoners van Worcester hun bezigheden om met open mond naar de voorbij ploeterende vrouw op haar fiets te blijven staan kijken. Trap! Trap! roepen ze haar spottend toe. Er is niets geestigs aan de grappen, al moeten hij en zijn vader er naderhand altijd samen om lachen. En zijn moeder, die geeft nooit lik op stuk, daar is ze niet goed in. 'Lach maar gerust,' zegt ze.

Dan houdt ze op een dag zonder enige verklaring op met fietsen. Kort daarna verdwijnt de fiets. Niemand zegt er een woord over, maar hij weet dat ze verslagen is, op haar plaats gezet, en hij weet ook dat hij een deel van de schuld daarvan op zich zal moeten nemen. Ooit zal ik het met haar goedmaken, belooft hij zichzelf.

De herinnering aan zijn moeder op haar fiets laat hem niet los. Ze peddelt weg, de Populierlaan in, hem ontvluchtend, vluchtend naar haar eigen verlangen. Hij wil niet dat ze weggaat. Hij wil niet dat ze een eigen verlangen koestert. Hij wil dat ze altijd in het huis is, op hem wacht als hij thuiskomt. Het gebeurt niet vaak dat hij met zijn vader tegen haar samenspant: hij is alleen maar geneigd om met haar tegen zijn vader samen te spannen. Maar in dit geval hoort hij bij de mannen.

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com