Vertaald door: Frans van der Wiel
Gebonden | 256 blz. | € 19,95
ISBN 978 90 5936 131 7

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via
onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

De meester van Petersburg (1994)

Oktober, 1869. Een droschke rijdt langzaam door een straat in de Hooimarktbuurt van Sint-Petersburg. Voor een grote huurkazerne houdt de koetsier zijn paard in. Zijn passagier bekijkt het gebouw met argwaan.
‘Weet u wel zeker dat het hier is?’ vraagt hij.
‘Svetsjnojstraat drieënzestig, dat heeft u gezegd.’

De passagier stapt uit. Het is een man van achter in de veertig, baardig en gebogen, met een hoog voorhoofd en zware wenkbrauwen die hem een air van in zichzelf gekeerde ernst geven. Hij draagt een donker pak van ietwat ouderwetse snit.
‘Wacht op me,’ draagt hij de koetsier op.

Onder de gehavende en bladderende gevels bewaren de oudere huizen van de Hooimarkt nog iets van hun oorspronkelijke elegantie, hoewel de meeste inmiddels pensions voor ambtenaren en studenten en werkvolk zijn geworden. In de ruimten ertussen, soms de muren met hen delend, zijn gammele houten bouwsels opgetrokken van twee of zelfs drie verdiepingen, doolhoven van kamers en hokken, de woningen van de allerarmsten.

Nummer 63, een van de oudere panden, wordt aan weerszijden door zulke bouwsels geankerd. Bovendien loopt er een web van balken en stutten tot halverwege de voorgevel die daardoor een ingekapselde aanblik biedt. Vogels hebben zich in de oksels van de stutting genesteld en hun uitwerpselen bevuilen de pui.

Een paar kinderen die in de steunbalken waren geklommen om stenen in de plassen op straat te mikken en dan naar beneden te springen om ze weer op te halen, onderbreken hun spel om de vreemdeling te bekijken. De drie jongsten zijn jongens; de vierde, die hun aanvoerder schijnt te zijn, is een meisje met blond haar en sprekende donkere ogen.

‘Goeiemiddag,’ roept hij hen toe. ‘Weet een van jullie waar Anna Sergejevna Kolenkina woont?’
De jongens reageren niet, blijven hem halsstarrig aanstaren. Maar het meisje laat na een ogenblik haar stenen vallen.
‘Kom,’ zegt ze.
De tweede verdieping van nummer 63 is een doolhof van onderling verbonden kamers, die zich uitspreidt vanaf een overloop bovenaan de trap. Hij volgt het meisje door een donkere, haakvormige gang, waarin de lucht van kool en gekookt vlees hangt, langs een open wasruimte, naar een grijsgeverfde deur die ze openduwt.

Ze staan in een lange, lage kamer, door één raam op ooghoogte verlicht. De mistroostigheid ervan wordt versterkt door een zwaar brokaattapijt aan de langste wand. Een vrouw in het zwart komt overeind om hem te woord te staan. Ze is midden dertig; heeft dezelfde donkere ogen en gebeeldhouwde wenkbrauwen als het kind, maar haar haar is zwart.

‘Vergeef me dat ik zo onaangekondigd ben gekomen,’ zegt hij. ‘Ik ben...’ Hij aarzelt. ‘Ik geloof dat mijn zoon bij u op kamers is geweest.’
Uit zijn valies pakt hij een voorwerp in een wit servet dat hij openvouwt. Het is een foto van een jongen, een daguerreotype in een verzilverde lijst. ‘Misschien herkent u hem,’ zegt hij.

Hij geeft haar de foto niet in handen.

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com