Vertaald door: Peter Bergsma
Paperback | 256 blz. | € 12,50
ISBN 978 90 5936 456 1

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via onze webshop


In ongenade - theatereditie
In ongenade - luisterboek
In ongenade - ebook

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

In ongenade (2014)

Voor een man van zijn leeftijd, tweeënvijftig, gescheiden, heeft hij het probleem van de seks naar zijn idee heel aardig opgelost. Iedere donderdagmiddag rijdt hij naar Green Point. Stipt om twee uur drukt hij op de bel bij de ingang van Windsor Mansions, zegt zijn naam en gaat naar binnen. In de deur van nummer 113 staat Soraya op hem te wachten. Hij loopt meteen door naar de slaapkamer, die aangenaam ruikt en zacht verlicht is, en kleedt zich uit. Soraya komt uit de badkamer, laat haar peignoir afglijden, schuift naast hem in bed. 'Heb je me gemist?' vraagt ze. 'Ik mis je elke dag,' antwoordt hij. Hij streelt haar honingbruine, door zon onaangeroerde lichaam; hij strekt haar uit, kust haar borsten; ze vrijen.

Soraya is rijzig en slank, met lang zwart haar en donkere, vochtige ogen. In feite is hij oud genoeg om haar vader te zijn; maar ja, in feite kun je vader zijn op je twaalfde. Hij staat al meer dan een jaar bij haar ingeschreven; hij is volkomen tevreden over haar. In de woestijn van de week is donderdag een oase van luxe et volupté geworden.

In bed is Soraya niet uitbundig. Ze heeft eigenlijk een vrij rustig temperament, rustig en gedwee. Over het algemeen is ze in haar opvattingen verrassend moralistisch. Ze ergert zich aan toeristen die op het openbare strand hun borsten ('uiers', noemt ze die) ontbloten; ze vindt dat zwervers moeten worden opgepakt en als straatveger aan het werk gezet. Hoe ze haar opvattingen rijmt met haar branche vraagt hij niet.

Omdat hij plezier aan haar beleeft, omdat zijn plezier niet afneemt, heeft hij genegenheid voor haar opgevat. Hij gelooft dat deze genegenheid tot op zekere hoogte beantwoord wordt. Genegenheid is weliswaar geen liefde, maar is er in ieder geval aan verwant. Gezien hun weinig belovende begin, hebben ze allebei geluk gehad: hij dat hij haar heeft gevonden, zij dat ze hem heeft gevonden.

Hij beseft dat zijn veronderstellingen getuigen van zelfingenomenheid, echtelijke verknochtheid zelfs. Niettemin blijft hij eraan vasthouden.

Voor een bezoek van anderhalf uur betaalt hij 400 rand, waarvan de helft naar Discreet Escorts gaat. Het lijkt zonde dat Discreet Escorts zoveel krijgt. Maar zij zijn eigenaar van nummer 113 en andere flatjes in Windsor Mansions; in zekere zin zijn ze ook eigenaar van Soraya, van dit deel, deze functie van haar.

Hij heeft met het idee gespeeld te vragen of ze hem in haar eigen tijd wil ontmoeten. Hij zou graag een avond met haar doorbrengen, misschien zelfs een hele nacht. Maar niet de volgende ochtend. Hij kent zichzelf te goed om haar bloot te stellen aan een volgende ochtend, wanneer hij koud en kribbig is, niet kan wachten om alleen te zijn.

Dat is zijn temperament. Zijn temperament zal niet meer veranderen, daar is hij te oud voor. Zijn temperament is gevormd, gestold. De schedel, en daarna het temperament: de twee hardste delen van het lichaam.

Volg je temperament. Het is geen filosofie, die benaming zou hij te veel eer vinden. Het is een regel, zoals de Regel van de H. Benedictus.

Hij bezit een goede gezondheid en een heldere geest. Van beroep is, of was hij, wetenschapper en de wetenschap beheerst, met tussenpozen, nog steeds zijn diepste wezen. Hij leeft binnen zijn inkomen, binnen zijn temperament, binnen zijn emotionele mogelijkheden. Is hij gelukkig? Volgens de gangbare criteria gelooft hij dat hij dat inderdaad is. Hij is echter de epiloog van Oedipus niet vergeten: Noem geen mens gelukkig voor hij dood is.

Op het terrein van de seks is zijn temperament intens, maar nooit hartstochtelijk geweest. Als hij een zinnebeeld moest kiezen, zou dat de slang zijn. Geslachtsverkeer tussen Soraya en hem moet, zo stelt hij zich voor, iets van de copulatie van slangen weg hebben: langdurig, met overgave, maar tamelijk abstract, tamelijk droog, zelfs op zijn vurigst.

Is Soraya's zinnebeeld ook de slang? Ongetwijfeld wordt ze bij andere mannen een andere vrouw: la donna è mobile. Maar op het vlak van het temperament kan haar affiniteit met hem zeker niet geveinsd zijn.

Hoewel haar werk haar tot een lichtzinnige vrouw maakt, vertrouwt hij haar, binnen redelijke grenzen. Tijdens zijn bezoeken praat hij met een zekere vrijmoedigheid tegen haar, stort zo nu en dan zelfs zijn hart uit. Ze kent zijn levensloop. Ze heeft het verhaal van zijn twee huwelijken gehoord, weet van zijn dochter en het wel en wee van zijn dochter. Ze kent zijn opvattingen.

Over haar leven buiten Windsor Mansions laat Soraya niets los. Soraya is niet haar ware naam, daar is hij zeker van. Er zijn aanwijzingen dat ze een kind, of kinderen heeft gebaard. Misschien is ze helemaal geen beroeps. Misschien werkt ze maar een of twee middagen per week voor het bureau en leidt ze verder een eerzaam bestaan in de buitenwijken, in Rylands of Athlone. Dat zou ongewoon zijn voor een moslim, maar tegenwoordig is alles mogelijk.

Over zijn eigen werk vertelt hij weinig, hij wil haar er niet mee vervelen. Hij verdient de kost aan de Kaapse Technische Hogeschool, voorheen Universiteit van Kaapstad. Van hoogleraar moderne talen is hij bij de opheffing van Klassieke- en Moderne talen in het kader van de grote herstructurering, wetenschappelijk hoofdmedewerker Communicatieleer geworden. Net als al het geherstructureerde personeel, mag hij elk jaar, ongeacht het aantal inschrijvingen, één collegeblok op zijn eigen vakgebied geven, want dat is goed voor het moreel. Dit jaar geeft hij een leergang Dichters uit de Romantiek. Voor de rest doceert hij Communicatieleer 101, 'Communicatieve vaardigheden', en Communicatieleer 201, 'Hogere communicatieve vaardigheden'.

Hoewel hij elke dag uren aan zijn nieuwe vak wijdt, vindt hij de eerste premisse ervan, zoals geformuleerd in het handboek Communicatieleer 101, bespottelijk: 'De menselijke samenleving heeft taal geschapen, opdat wij onze gedachten, gevoelens en bedoelingen aan elkaar kunnen overbrengen.' Zijn eigen mening, die hij voor zich houdt, is dat de gesproken taal is ontstaan uit het lied en het lied is ontstaan uit onze behoefte om de al te grote en tamelijk lege menselijke ziel met geluid te vullen.

In de loop van een carrière die zich over een kwart eeuw uitstrekt, heeft hij drie boeken gepubliceerd, die geen van alle enige beroering of zelfs maar een rimpeling hebben verwekt: het eerste over opera (Boito en de Faustlegende: de Genesis van Mefisto), het tweede over het visioen als Eros (Het visioen van Richard van St. Victor), het derde over Wordsworth en de geschiedenis (Wordsworth en de last van het verleden).

In de afgelopen jaren heeft hij met het idee van een studie over Byron gespeeld. Aanvankelijk dacht hij dat het weer een boek zou worden, weer een kritisch werk. Maar al zijn aanzetten tot het schrijven ervan zijn verzand in verveling. Eerlijk gezegd is hij de literatuurkritiek beu, is hij beu van proza dat ellenlang wordt uitgesponnen. Wat hij wel wil schrijven, is muziek: Byron in Italië, een bespiegeling over de liefde tussen de seksen in de vorm van een kameropera.

Wanneer hij voor zijn studenten Communicatieleer staat schieten er frasen, melodieën, flarden gezang van het ongeschreven werk door zijn hoofd. Hij is nooit een erg goed docent geweest; in deze hervormde en, naar zijn mening, uitgeholde onderwijsinstelling is hij minder op zijn plaats dan ooit. Maar ja, hetzelfde geldt voor andere collega's van de oude stempel, gebukt als ze gaan onder een opvoeding die ongeschikt is voor de hun toegewezen taken; geestelijken in een postreligieus tijdperk.

Omdat hij geen respect heeft voor de stof die hij doceert, maakt hij geen indruk op zijn studenten. Ze kijken door hem heen wanneer hij spreekt, vergeten zijn naam. Hun onverschilligheid steekt hem meer dan hij wil toegeven. Desondanks vervult hij zijn plichten tegenover hen, hun ouders en de staat tot op de letter. Maand in maand uit kiest, vergaart, leest en annoteert hij hun opdrachten, verbetert fouten in interpunctie, spelling en taalgebruik, zet vraagtekens bij zwakke argumentatie, voegt aan elk werkstuk een kort, weldoordacht commentaar toe.

Hij blijft lesgeven omdat het hem een inkomen verschaft; en omdat het hem nederigheid leert, hem ervan doordringt waar hij staat in de wereld. De ironie ontgaat hem niet: dat degene die komt om les te geven de hardste lessen leert, terwijl degenen die komen om te leren niets opsteken. Het is een facet van zijn beroep waarover hij zich tegen Soraya niet uitlaat. Hij betwijfelt of er in haar vak evenveel ironie schuilt.

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com