Vertaald door: Peter Bergsma
Gebonden | 192 blz. | € 19,95
ISBN 978 90 5936 048 4

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via
onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

IJzeren tijd (1990)

Opzij van de garage loopt een steegje, misschien weet je het nog, jij en je vriendinnetjes speelden er weleens. Nu ligt het er doods bij, braak, nutteloos, met alleen nog hopen verwaaide, rottende bladeren.

Gisteren stuitte ik aan het eind van dat steegje op een huis van kartonnen dozen en lappen plastic, waarin met opgetrokken knieën een man lag, een man die ik wel kende van de straat: lang, mager, met een verweerde huid en lange, aangevreten tanden, gekleed in een grijs slobberpak en een hoed met een slappe rand. Ook nu, terwijl hij lag te slapen, had hij die hoed op, de rand onder zijn oor gevouwen. Een zwerver, een van de zwervers die op de parkeerterreinen langs de Molenstraat rondhangen om geld te bietsen bij het winkelpubliek, te drinken onder het viaduct en uit vuilnisbakken te eten. Een van de daklozen voor wie augustus, de regenmaand, de ergste maand is. Slapend in zijn doos, zijn benen gestrekt als die van een marionet, zijn mond wijd open. Hij verspreidde een onaangename geur: urine, zoete wijn, schimmelige kleren, en ook nog iets anders. Vies.

Ik bleef een poosje bij hem staan staren, staren en ruiken. Een bezoeker die mij uitgerekend op deze dag met zijn bezoek opscheepte.

Het was de dag dat ik de tijding van dokter Syfret kreeg. Het was geen goede tijding, maar het was de mijne, voor mij, alleen voor mij, weigeren was er niet bij. Ik moest haar in mijn armen nemen en aan mijn borst drukken en mee naar huis nemen, zonder hoofdschudden, zonder tranen. 'Dank u, dokter,' zei ik, 'dank u dat u het zo eerlijk zegt.' 'We zullen alles doen wat in ons vermogen ligt,' zei hij, 'we gaan dit samen te lijf.' Maar achter de kameraadschappelijke façade zag ik hem al terugtrekken. Sauve qui peut. Zijn loyaliteit ligt bij de levenden, niet bij de stervenden.

Het trillen begon pas toen ik uit de auto stapte. Tegen de tijd dat ik de garagedeur had dichtgedaan, beefde ik over mijn hele lichaam: om het te laten bedaren, moest ik mijn tanden op elkaar klemmen, mijn tas stevig vastgrijpen. Op dat moment zag ik de dozen, zag ik hem.

'Wat doe je hier?' vroeg ik, en ik hoorde de irritatie in mijn stem, maar hield die niet in bedwang. 'Je kunt hier niet blijven, je moet weggaan.'

Hij verroerde zich niet maar bleef in zijn schuilplaats liggen, opkijkend, de winterkousen inspecterend, de blauwe jas, de rok die nooit goed heeft willen vallen, het grijze haar dat werd doorsneden door een streep schedel, oudevrouwenschedel, roze, babyachtig.

Toen trok hij zijn benen op en kwam kalmpjes overeind. Zonder een woord te zeggen keerde hij mij de rug toe, schudde het zwarte plastic uit, vouwde het dubbel, in vieren, in achten. Hij pakte een tas (Air Canada stond erop) en ritste die dicht. Ik deed een stap opzij. Met achterlating van de dozen, een lege fles en de geur van urine liep hij langs me heen. Zijn broek zakte af; hij hees hem op. Ik wachtte om er zeker van te zijn dat hij echt weg was en hoorde hem het plastic vanaf de andere kant in de heg proppen.

Twee dingen dus in de spanne van een uur: de tijding, lang gevreesd, en deze verkenning, deze andere aankondiging. De eerste gier, stipt, feilloos. Hoelang kan ik ze op afstand houden? De aasvreters van Kaapstad, wier aantal nooit slinkt. Die schaars gekleed gaan en geen kou voelen. Die buiten slapen en niet ziek worden. Die honger hebben maar niet verkwijnen. Vanbinnen verwarmd door alcohol. De virussen en infecties in hun bloed door vloeibare vlam verteerd. Schoonmakers na het feestmaal. Vliegen met droge vleugeltjes, verglaasde ogen, meedogenloos. Mijn erfgenamen.

Hoe traag waren de stappen waarmee ik dit lege huis in ging, waaruit elke echo verstorven is, waar elke trede van voetzool op plank vlak en dof klinkt! Wat wilde ik graag dat jij er was, om je armen om me heen te slaan, me te troosten! De ware betekenis van de omhelzing begint tot me door te dringen. We omhelzen om omhelsd te worden. We omhelzen onze kinderen om in de armen van de toekomst te worden gesloten, om onszelf over de dood heen te tillen, om ons te laten meevoeren. Zo was het als ik jou omhelsde, altijd. We baren kinderen om ons door hen te laten bemoederen. De harde waarheid, de waarheid van een moeder: vanaf nu tot het einde zul je niets anders meer van me horen. Dus: wat verlangde ik naar je! Wat wilde ik graag naar boven kunnen gaan, naar jou, om op je bed te zitten, mijn vingers door je haar te laten gaan, net als vroeger op ochtenden voor school in je oor te fluisteren: 'Tijd om op te staan!' Om je daarna, als je je omdraaide, je lichaam warm van je bloed, je adem melkachtig, in mijn armen te nemen voor wat we 'mammie 'n dikke knuffel geven' noemden, waarvan de geheime betekenis, de betekenis die nooit is uitgesproken, was dat mammie niet verdrietig mocht zijn, want ze zou niet doodgaan maar voortleven in jou.

Leven! Jij bent mijn leven; ik houd van jou als van het leven zelf. 's Morgens loop ik het huis uit, maak mijn vinger nat en steek hem in de wind. Komt de kilte uit het noordwesten, uit jouw contreien, dan blijf ik lang staan snuiven, al mijn aandacht concentrerend in de hoop dat mij over vijftienduizend kilometer land en zee een vleugje zal bereiken van de melkachtige geur, die je nog steeds achter je oren hebt, in de plooi van je nek.

De eerste taak die mij wacht, met ingang van vandaag: weerstand bieden aan het verlangen om mijn dood te delen. Van jou houden, van het leven houden, de levenden vergeven en zonder bitterheid vertrekken. De dood omhelzen als de mijne, de mijne alleen.

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com