Vertaald door: Joost Poort
Paperback | 320 blz. | € 24,95
ISBN 978 90 5936 611 4

Koop of bestel het boek bij
uw plaatselijke boekhandel
of bestel via onze webshop

Ook verkrijgbaar als eboek
ISBN 978 90 5936 612 1 | € 14,95
- EBOEK KOPEN

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

Het universum van J.M. Coetzee (2015)

Het universum van J.M. Coetzee is een literatuurwetenschappelijke biografie die tot doel heeft het leven en werk van haar onderwerp, de schrijver J.M. Coetzee, samen te lezen. Door de nadruk te leggen op Coetzees schrijverschap richt ik me op slechts één aspect van het leven van de mens John Maxwell Coetzee, het deel dat hem beroemd heeft gemaakt en waar hij zich het meest op heeft toegelegd. Het is niet het hele verhaal, en aspecten van Coetzees leven die weinig invloed hebben op zijn schrijven zijn niet relevant voor dit boek.

Het is daarom geen biografie in de gebruikelijke zin van het woord. Dit boek pretendeert ook geen intellectuele biografie te zijn. Als we een intellectuele biografie definiëren als een verslag van de groei en ontwikkeling van Coetzees ideeën en de uiting daarvan in zijn fictie en overige werk (inclusief de vertalingen, recensies, wetenschappelijke essays en boeken), zou een dergelijke opgave het bestek van wat hier wordt geboden te buiten gaan. Het boek is vooral een verslag van hoe ik Coetzees manuscripten, die toegankelijk zijn gemaakt voor het publiek in het Harry Ransom Center van de Universiteit van Texas in Austin, heb gelezen.

Mijn relatie met Coetzees werk, de achtergrond waartegen ik zijn documenten heb bestudeerd, begon in 1974, toen ik als student in Durban zijn eerste boek, Schemerlanden, las. Sindsdien heb ik zijn carrière nauwlettend gevolgd en heb ik over alzijn romans weleens college gegeven of geschreven. Begin jaren tachtig leerde ik de man in kwestie enigszins kennen toen ik als masterstudent op de Universiteit van Kaapstad onder zijn begeleiding een scriptie voorbereidde over Afrikaanse literatuurkritiek en wetenschap. Toen ik daarna promotieonderzoek uitvoer­de op de Universiteit van Texas in Austin werkten we gedurende een periode van drie jaar, van 1988 tot 1990, aan een boek met de titel Doubling the Point: Essays and Interviews (1992). Doubling the Point is een intellectuele autobiografie waarin een aantal van Coetzees wetenschappelijke essays en nauwelijks gepubliceerde artikelen worden samengebracht en met elkaar worden verbonden door middel van een reeks geschreven dialogen. Niet lang na Doubling the Point schreef ik een literatuurwetenschappelijk boek dat gebaseerd was op de dissertatie die ik had ingediend in Texas over de zes romans van Coetzee die tot dan toe waren uitgegeven, getiteld J.M. Coetzee: South Africa and the Politics of Writing (1993).

Nu, twintig jaar later, hanteer ik een heel andere aanpak en zet ik een stap achteruit om opnieuw te kijken, dit keer niet als literatuurwetenschapper, dat wil zeggen naar de afgeronde romans, maar naar het schrijverschap dat eraan ten grondslag ligt: de creatieve processen en bronnen, de eigenaardigheden en de triomfen – bovenal naar de bijzondere manier waarop vaak vrij alledaags materiaal wordt omgevormd tot onvergetelijke fictie.

De vijf weken waarin ik Coetzees documenten heb bestudeerd, hadden makkelijk vijf maanden of vijf jaar kunnen worden als ik de tijd en de financiële middelen had gehad om door te gaan, maar de ervaring was nu al wonderbaarlijk genoeg – zowel verbluffend als verhelderend – om er verslag van te doen. Ik had dit niet kunnen doen als ik me niet al zo lang had verdiept in de gepubliceerde romans. Coetzees documenten zullen academici nog jarenlang bezighouden – er zijn maar weinig, of misschien zelfs geen, levende auteurs die zoveel academische belangstelling oproepen als Coetzee – maar ik heb genoeg gevonden om een heel ander verhaal te vertellen, dat ik graag wil vastleggen voor de betovering wordt verbroken.

Ik moet bekennen dat één element van die magie, dat ik snel moet uitdrijven, sentimenteel van aard is. Toen Coetzee eind jaren zestig zelf promotieonderzoek uitvoerde in Austin, had hij daar de documenten van Samuel Beckett gelezen. Tijdens mijn eigen studententijd in de jaren tachtig bestudeerde ik in dezelfde bibliotheek aandachtig de documenten van schrijvers die in Zuid-Afrika gevormd waren: Olive Schreiner, Herman Charles Bosman, Alan Paton, Roy Campbell (wiens overdreven onaantrekkelijke borstbeeld daar nog steeds staat). Ik deed dit omdat ik me daardoor verbonden voelde met thuis, Zuid-Afrika, maar op een manier waar in dat land geen waardering of plaats voor was.

Coetzee had op soortgelijke wijze toegegeven aan zijn gevoelens door, als twintigjarige student, zijn onderzoek naar Ford Madox Ford in de leeszaal van het British Museum in Londen te onderbreken om de tekstuele sporen van vroege Europese ontdekkingsreizigers in Zuid-Afrika te bekijken, in het bijzonder die van William Burchell. De kaart die Coetzee tekende aan de hand van Burchells reizen bevindt zich nu in Texas, waar ik het document aantrof. Cirkels in cirkels: het gedachtegoed van de middelbare leeftijd, wellicht, en dat van de autobiografie die ingebed lijkt te zijn in het biografische project.

Bepaalde elementen die essentieel zijn voor het ambacht van een literair biograaf, zoals de meest persoonlijke brieven van een schrijver, zijn op dit moment niet beschikbaar voor onderzoekers die zich bezighouden met Coetzee. Ze worden bewaard in Austin, maar tot na zijn dood hebben slechts enkelen er toegang toe. Ik betwijfel of ik ze zal bekijken als ik zo lang mocht leven. Ik kan me niet voorstellen dat ik er plezier aan zou beleven om Coetzees meest intieme geschriften te lezen na zijn overlijden, dus het is aan anderen om erachter te komen of hij wellicht dagboeken heeft gebruikt tijdens het schrijven van zijn deels gefictionaliseerde autobiografieën en of zijn persoonlijke correspondentie een rol heeft gespeeld in het leven van de mensen die zijn romans bevolken. Bepaalde aspecten van zijn privéleven die zijn weggelaten in de autobiografieën, zoals zijn huwelijk met Philippa Jubber en de geboorte en vroege jeugd van hun kinderen, Nicolas en Gisela, duiken wel af en toe op in de documenten, maar ze blijven grotendeels buiten beeld.

Voor een man die erom bekendstaat dat hij zijn privacy bewaakt, is de verzameling in Texas opmerkelijk compleet. Naast de uitgebreide zakelijke correspondentie, lezingen, prijzen, citaten, krantenknipsels, foto’s, familieaandenken en Coetzees goed geconserveerde onderzoeksmateriaal, voor zowel de fictie en non-fictie, omvat ze ook de manuscripten van alle romans van Schemerlanden (1974) tot en met Elizabeth Costello (2003). Na zijn verhuizing naar Australië in 2002 bestaan de kladversies voornamelijk uit computeruitdraaien. De meeste manuscripten zijn geschreven op blauwe examenblokken die Coetzee achteroverdrukte op de Universiteit van Kaapstad, waar hij het grootste gedeelte van zijn academische carrière doceerde – het is niet moeilijk voor te stellen hoe hij ongebruikte blokken verzamelde na gesurveilleerd te hebben bij een tentamen.

De aantekeningen en herzieningen in de manuscripten zijn nauwgezet voorzien van een datum, wat een gelukkige omstandigheid is voor diegenen die de ontwikkeling ervan willen volgen. Dit dateren en archiveren van zijn eigen werk zal het creatieve proces zeker ten goede zijn gekomen, omdat Coetzee daardoor in staat was stukken tekst om te draaien en eerder geschrapte fragmenten terug te vinden. Hij werkt in bijzonder grove lijnen. Meestal schetst hij de eerste kladversie snel, vrijblijvend, kordaat. Coetzee schrijft zo vaak hij kan, het liefst dagelijks, en zoekt zo naar zijn onderwerp: vooral naar de stem, die is ingebed in een herkenbaar genre en een herkenbare geschiedenis. De plot is het minst stabiele element, dat altijd ondergeschikt is aan de stem en doorlopend wordt aangepast.

In weerwil van de wijdverbreide veronderstelling dat Coetzees romans zijn gesponnen van citaten die zijn ontleend aan de literatuurwetenschap, worden de verwijzingen naar andere schrijvers (soms theoretici, maar in de meeste gevallen romanschrijvers, dichters en filosofen) pas toegevoegd als het werk eenmaal op eigen benen staat. Hij noteert gedurende het hele schrijfproces mogelijke titels, maar de beslissing daarover wordt uitgesteld tot het eind. Hij ziet er geen been in om naar een werk te verwij­zen met een nummer (‘Fictief verhaal No. 4’) tot de juiste titel zich aandient.

Dergelijke methoden zijn gestoeld op blind vertrouwen in het creatieve proces, op hardnekkig door de onzekerheden (die, zoals we zullen zien, echt zijn en expliciet worden gemaakt) heen werken naar een doel in de verte tot er een openbaring plaatsvindt die houvast en stootkracht biedt voor de volgende fase. Dit proces gaat uiteraard gepaard met doorlopend herschrijven – handmatig in manuscripten, handmatig in typoscripten en door opnieuw te typen. Twaalf, dertien, veertien versies van een werk zijn geen uitzondering. In de hoofdstukken die hierop volgen maak ik volop gebruik van mijn voorkennis en zal ik het hebben over ‘schrijfmomenten’: momenten waarop een doorbraak wordt gemaakt, waarop de kladversie meer op het beoogde boek begint te lijken.

Met name de notitieboeken van pocketformaat waarin Coetzee aantekeningen maakte als hij niet aan zijn bureau zat, zijn interessant. Een vergelijking tussen de gedachten, zelfcorrecties en bronnen die hij neerkrabbelt in deze notitieboekjes en de uitgebreidere manuscripten op de examenblokken levert een verhaal op over Coetzees creativiteit, over de veranderingen van richting, onzekerheden, periodes van zelfvertrouwen en vloeiend schrijven. Als de computer het eenmaal overneemt, wat vanaf het latere, in Australië geschreven Langzame man (2005) gebeurt, zijnde sporen van de creatieve processen minder intiem, maar de patronen zijn nog steeds zichtbaar.

Tot 2011 werden de manuscripten van de vroege fictie (tot aan medio jaren negentig) bewaard in de Houghtonbibliotheek van Harvard, waar Coetzee ze had ondergebracht. Ze konden daar worden ingezien door onderzoekers, onder wie John Kannemeyer, Coetzees eerste biograaf. Tussen 2009 en 2011 liet Coetzee zich interviewen door Kannemeyer en hij gaf hem inzage in de vele documenten die hij in zijn huis in Adelaide bewaart. Dit resulteerde in J.M. Coetzee: ’n Geskryfde Lewe (2012), geschreven en uitgegeven in het Afrikaans. Het boek verscheen tegelijkertijd in een Nederlandse vertaling onder de titel J.M. Coetzee. Een schrijversleven bij Uitgeverij Cossee en in het Engels als J.M.Coet­zee: A Life in Writing, uitgegeven door Jonathan Ball in Zuid-Afrika en door Scribe in Engeland, de VS en Australië.

Kannemeyer brengt een indrukwekkende hoeveelheid gegevens bij elkaar in zijn monumentale biografie, die bol staat van informatie over Coetzees stamboom, kindertijd, opleiding, persoonlijke relaties, academische carrière, onderhandelingen met uitgevers, censuurcommissies en filmmakers, en de publicatie en receptie van alle romans. Het werk is bijzonder bruikbaar omdat Kannemeyer een empirische, zelfs conservatieve benadering van de biografie hanteert. Omdat Coetzee niet bereid is mee te werken met de meeste onderzoekers, circuleren er bij gebrek aan betrouwbare kennis vele geruchten, waarvan de meeste zijn opgeblazen, een euvel dat Kannemeyer grotendeels heeft verholpen. Kannemeyer gaf zelf toe dat hij meer nadruk legde op Coetzees leven dan op zijn werk, waardoor hij slechts zijdelings aandacht kon besteden aan de manuscripten.

Uiteraard is elke goede schrijver huiverig voor een biografie, zelfs als de toon niet minachtend is. Een biografie is een van de manieren waarop de huidige generatie de voorgaande voor eens en altijd in het verleden plaatst. Lytton Strachey, de man die deze trend begon door zijn victoriaanse subjecten te overgieten met ironie, werd er uiteindelijk zelf ook het slachtoffer van. Coetzee anticipeerde op een dergelijke aanpak toen hij in Zomertijd de Engelse biograaf Vincent (de naam van een veroveraar) bedacht, die voornemens was een biografie over de overleden John Coetzee te schrijven.

Maar nog terwijl hij aan Zomertijd werkte, verraste het lot hem met de komst van John Kannemeyer, die absoluut niet tot doel had het verleden te verwerpen, maar het heden wilde vastleggen met het gevoel van verbondenheid tussen generatiegenoten, en uit eerbied voor de bijdrage die Coetzee heeft geleverd aan de Zuid-Afrikaanse letteren en de wereldliteratuur. Dat dit kon gebeuren heeft te maken met het feit dat hoewel Coetzees werk intellectueel gezien geworteld is in de culturele metropolen van Europa en de Verenigde Staten, het ook behoort tot een regionale literatuur waarvan de canon buiten Zuid-Afrika nauwelijks bekend is.

Zijn hulpvaardige houding ten opzichte van Kannemeyer, die overigens geen autorisatie inhield (Coetzee zou nooit een biografie autoriseren), doet vermoeden dat hij besefte dat het verschijnen van biografieën een onontkoombaar gevolg van succes is. Of ze het nu leuk vinden of niet, succesvolle auteurs, vooral Nobel-prijswinnaars, zullen zich moeten neerleggen bij de realiteit van de biografie, net zoals ze migraine en kiespijn moeten verdragen. En, zoals Ian Hamilton laat zien in Keepers of the Flame, als auteurs trachten de ghostwriter of in sommige gevallen zelfs de schrijver van hun eigen biografie te zijn, of proberen er na hun dood controle over uit te oefenen, is het resultaat meestal geen onverdeeld succes. Coetzee heeft veel van wat hij wilde zeggen over biografie onder woorden gebracht in Zomertijd, dat in de hoedanigheid van een autobiografie een biografie-in-wording gebruikt als fictioneel voorwendsel. Met die voorwaarden probeert Coetzee een confrontatie met de vijand te voorkomen. Desalniettemin was Coetzee zo vriendelijk Kannemeyer zijn aandacht te schenken en hulp te bieden, en nog belangrijker, hem de vrije hand te geven.

De meeste gewone lezers, waar ik mezelf ook toe reken, blijven gefascineerd door biografieën, vooral door het inzicht dat ze bieden in de creatieve processen van onze meest geliefde schrijvers.
Toen ik twintig jaar geleden een inleiding voor J.M. Coetzee: South Africa and the Politics of Writing schreef, zei ik dat ik niet zeker wist of het boek een eerbetoon of een daad van verraad was en dat ik ‘in grenzeloze mate wenste’ dat het dat eerste was. Ik zit nu in hetzelfde lastige parket. Ik heb nog evenveel respect voor de romans van J.M. Coetzee als publieke documenten, maar mijn bewondering heeft een grote verandering ondergaan: van het uiteindelijke werk naar de immense inspanning, en het openstaan voor het moeilijke en het vreemde, wat een van de meest voorbeeldige schrijverschappen van onze tijd heeft opgeleverd.

 
 

 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
 
 
Naar Cossee.com